CDA eist uitleg over rol gouverneur bij uitleveringen Curaçao

WILLEMSTAD/DEN HAAG – De Nederlandse regering moet beter uitleggen waarom de gouverneur het laatste woord houdt over uitleveringen vanuit Curaçao. Ook moet worden onderzocht of daarbij belangenverstrengeling kan ontstaan doordat de gouverneur voor juridische ondersteuning sterk afhankelijk is van het Openbaar Ministerie.
Dat stelt de CDA-fractie in de Tweede Kamer bij de behandeling van een nieuwe rijkswet voor uitleveringen vanuit Curaçao, Aruba en Sint Maarten. De fractie sluit daarmee aan bij kritiek die tijdens de consultatie via de Orde van Advocaten Curaçao werd ingediend door enkele strafrechtadvocaten.
De Orde heeft later verduidelijkt dat zij de reacties alleen heeft verzameld en doorgestuurd. De kritiek vormt geen officieel standpunt van de beroepsorganisatie.
De nieuwe wet zet de bestaande uitleveringsregels grotendeels ongewijzigd om in een rijkswet. Dat is nodig omdat Koninkrijksaangelegenheden sinds een wijziging van het Statuut niet langer zonder wettelijke grondslag via een algemene maatregel van rijksbestuur mogen worden geregeld.
Gouverneur beslist
In de voorgestelde procedure beoordeelt het Gemeenschappelijk Hof of een uitlevering juridisch is toegestaan. Als het Hof een verzoek afwijst, moet de gouverneur die beslissing volgen.
Verklaart het Hof de uitlevering wel toelaatbaar, dan beslist de gouverneur uiteindelijk of de opgeëiste persoon daadwerkelijk wordt overgedragen. Daarbij kan hij garanties vragen over bijvoorbeeld detentieomstandigheden, een eerlijk proces of het niet uitvoeren van de doodstraf.
Volgens de via de Orde ingediende reacties is die constructie problematisch. In Nederland neemt de minister van Justitie als politiek verantwoordelijke functionaris de eindbeslissing. De gouverneur kan daarentegen niet door de Curaçaose Staten ter verantwoording worden geroepen.
De betrokken strafrechtadvocaten vragen zich ook af of de gouverneur zelfstandig met buitenlandse autoriteiten kan onderhandelen over garanties en namens wie hij dat dan doet. In hun reactie noemen zij de positie van de gouverneur in deze procedure “even ouderwets als het kolonialisme”.
Afhankelijkheid van OM
Een ander bezwaar van de betrokken advocaten is dat het kabinet van de gouverneur onvoldoende gespecialiseerde juridische deskundigheid zou hebben. Daardoor zou het voor advies sterk leunen op het Openbaar Ministerie.
Tegelijkertijd treedt het OM in dezelfde uitleveringszaak op tegenover de persoon van wie de uitlevering wordt gevraagd. De advocaten spreken daarom van “een conflict of interest van de bovenste plank”.
In het verslag van de Tweede Kamer worden deze bezwaren aangeduid als opmerkingen van de Orde van Advocaten. Het CDA vindt dat de regering in de toelichting op de wet niet inhoudelijk op dit belangrijkste bezwaar heeft gereageerd.
De fractie wil weten welke ondersteuning de gouverneur krijgt, hoe contacten met buitenlandse staten verlopen en hoe mogelijke belangenverstrengeling wordt voorkomen.
Vragen over doodstraf
GroenLinks-PvdA stelt daarnaast vragen over uitlevering aan landen waar de doodstraf kan worden opgelegd. Volgens het voorstel is uitlevering mogelijk wanneer voldoende is gegarandeerd dat een opgelegde doodstraf niet wordt uitgevoerd.
De fractie vraagt waarom uitlevering niet volledig wordt verboden zodra de doodstraf mogelijk is. Een latere regering in het verzoekende land zou een eerder gegeven garantie mogelijk alsnog naast zich neer kunnen leggen.
D66, VVD en ChristenUnie hebben geen vragen over het wetsvoorstel. De regering moet de vragen van CDA en GroenLinks-PvdA beantwoorden voordat de parlementaire behandeling verdergaat.





































